De vele fijne meezing avonden die ik bij de Amsterdamse Meezingers reeds mocht meemaken hebben mij geïnspireerd 

om in Utrecht DE UTRECHTSE MEEZINGERIJ op te richten.

Ik kan een ieder dan ook van harte aanraden om eens een woensdagavond naar het karakteristieke Amsterdamse café De Twee Prinsen op de hoek Prinsengracht / Prinsenstraat te gaan. Zing mee met Ton en zijn mede muzikanten en geniet van de gastvrijheid van kastelein Rutger! Info Amsterdamse Meezingers, https://www.demeezingers.com

13 september 2019 café De II Prinsen, feest ter gelgenheid van 25 jaar Meezingers Amsterdam

Café De II Prinsen op een woensdagavond.

Kom, ga met me mee; 25 jaar meezingen.

Wanneer is mijn meezingen begonnen? Was het in de jaren '50 van de vorige eeuw, toen het schoolhoofd, staande op een appelkist zijn dirigeerstok hief waarna Waar De Blanke Top der Duinen in honderdvoud door de dorpsstraat weerklonk? Was het in de kerk waar mijn moeders stem stokte bij het zingen van psalm 22 terwijl ik Just Call Me Angel Of The Morning had gehoord? Of was het in 1994 toen ik in de fuik zwom die Birgit voor mij had uitgezet. Eenmaal in haar netten verstrikt wreef ze me op voor een safari naar de Zeedijk. Daar, in een kroeg, wordt méé-gezongen zei ze, net als bij een bruiloft, met alleen maar aparte mensen, écht iets voor jou. Vrijheid blijheid onder leiding van een vogel die, opgestegen van het Mosplein in Noord, via Cuba op de Zeedijk is neergestreken. Een dirigeerstok weigert hij uit principe en toch eten de zangers uit zijn hand. De vogel dirigeert met zijn ogen. Als je maar maat houdt en niet ouwehoert onder het zingen. Want dan spuit hij vuur, Jos de Rooij. Kom, zei Birgit, ga met me mee.

Een gewaarschuwd man had voor twee moeten tellen. Waren het niet psalmen die mij met de levertraan waren ingelepeld? Waarbij het Hooglied dat lust en liefde bezong ongelezen bleef? Toneelspel en liedjeszangers, mijd ze als de pest; het is één en al hoererij en drinkgelag wisten mijn ouders. Blijf er verre van, word postbode, God doet de rest.

De echo van de vermaning werd overstemd door feestgezang toen Birgit en ik de Zeedijk opliepen. Naderbij gekomen zag ik de bron van het liederlijk geschal; een verlopen pand waarvan alleen nog de benedenverdieping resteerde. Achter de ramen met het opschrift Café De Meester stond een dicht opeen gepakte schare uitbundig Aan De Amsterdamse Grachten te zingen. Een man met hoed en baardje opende de deur met een buiging. “Aangenaam, ik ben Piet van Rees, welkom in Droomland.”

'Waar oude bomen dromen, hoog boven 't verkeer en over 't water gaat er een bootje, net als weleer.' Met mijn eigen ogen zag ik de vogel van het Mosplein, trekkend aan zijn accordeon, de meezingers in staat van extase om hem geschaard. Ome Gerrit, van beroep assistent orgelman, begon op ramkoers Droomland te zingen. Zijn ogen waren hemelwaarts gericht. Het In Paradisum duurde slechts kort omdat hij door Piet van Rees uit zijn droom werd gewekt. Ook de vrouw van de aannemer die, op een idee gebracht door 'Ik Doe Wat Ik Doe,' op de stamtafel was geklommen om aldaar haar visie op de hoelahoep te tonen, ontkwam niet aan Piets vredelievende hand.

Omdat Piet zonder enig vooroverleg besloot om te gaan hemelen waren we onvoorbereid op het nomadenbestaan. Verslagen stonden we voor het dichte café. De verlossing kwam van de Ooievaar op de hoek, zij bracht ons nieuw leven. In Sjors' pijpenla zongen we de longen uit het lijf zodat gebrek aan zuurstof ons dan ook noopte uit te wijken naar het riante Lusitiana. Dit café was vernoemd naar een tot zinken gebracht passagiersschip waarbij meer dan duizend opvarenden verdronken, waaronder dertig baby's en een voltallig zangkoor. Natuurlijk, nood brak wetten maar was dit niet de goden verzoeken? Voor ook wij door het lot zouden worden getroffen begaven we ons in de sloepen. We dobberden in windstilte, dronken onze eigen plas en voerden de assistent van de orgelman aan de haaien. Net voor we de tanden in Jos wilden zetten zagen we een stip aan de horizon. De stip werd een streep. De streep werd een spandoek: Welkom bij de Portugees. Tapasbar na honderd meter.

Meer dan tien jaar zouden wij in de Portugees zingen. Maar ook hieraan kwam een eind. Wat nu? Op de Zeedijk liep een somber ogende, aan zijn sigaar vergroeide man. We raakten in gesprek. Ed was zijn naam, hij was de uitbater van café Verhoeff. “Kom dan maar bij mij,” voor hij het besefte flapte Ed het eruit. Wat waar is is waar, we hebben er altijd fijn gezongen maar omdat de bar tijdens de pauzes steeds vaker onbemand bleef en 'Weet Iemand Waar Ed Is?' een gevleugelde uitspraak werd was de sjeu er op den duur toch af. Goede raad was duur maar gelukkig deed Cornelis, onze huisadvocaat, het pro deo. Hij hield een gloedvol pleidooi in het gelijknamige café aan de Oude Brugsteeg. We werden er met gejuich ontvangen doch bliezen al na enkele weken, na het zingen van Nou, Tabé Dan, de aftocht omdat de eigenaar zakelijk wilde binnenlopen en het koor hem daarbij in de weg stond.

Gedoemd tot het zwerversbestaan liepen we op een mooie pinksterdag met de kleine meid samen in de zon. Eendjes plukken... madeliefjes voeren... nu werd papa boos. Op dat moment brak de zon door de wolken, een knaapje met engelenvleugels zweefde omlaag en landde voor de voeten van de locatiecommissie. Het was Rutger, een duidelijke mengeling van Onze Lieve Heer en Sinterklaas. “Jullie mogen gerust bij mij schuilen,” sprak hij. De rest is geschiedenis. We zingen tot ieders plezier alweer een tijd in café De Twee Prinsen. Met Rutger en zijn collega's konden we het niet beter treffen.

Weinig echter is belangrijker dan een goede muzikale begeleiding. Zonder muzikanten als Ton, Andi, Clazien, Gertjan, Hans en Ronald zouden wij, meezingers, niet kunnen bestaan. En uitgezongen zijn we nog lang niet. Op naar nog eens vijfentwintig jaar.

Café De Twee Prinsen, 13 september 2019

Herman Kamphuis.